De EBO's

Situering: vorige instrumenten van de Vlaamse overheid voor de verbetering van de energie-efficiëntie van de energie-intensieve ondernemingen in Vlaanderen

Benchmarkingconvenant

Als belangrijkste beleidsinstrument om de energie-efficiëntie van de energie-intensieve industrie in Vlaanderen te verbeteren zonder de groeikansen ervan te ondermijnen, heeft de Vlaamse Regering op 19 november 2002 het benchmarkingconvenant als energiebeleidsovereenkomst volgens art. 7.7.1. van het Energiedecreet goedgekeurd. De doelgroep van het benchmarkingconvenant waren de grote energie-intensieve vestigingen (jaarlijks primair energiegebruik van minstens 0,5 PJ) en de vestigingen die onder de Europese richtlijn van verhandelbare emissierechten vallen. Door toe te treden tot het benchmarkingconvenant zijn de bedrijven de verplichting aangegaan om tegen 2012 de energie-efficiëntie van hun procesinstallaties op wereldtopniveau te brengen en/of te behouden.

Auditconvenant

Naar analogie met het benchmarkingconvenant voor de grote energie-intensieve vestigingen, is het auditconvenant als energiebeleidsovereenkomst voor de middelgrote energie-intensieve vestigingen uitgewerkt. Op 10 juni 2005 heeft de Vlaamse Regering haar definitieve goedkeuring gehecht aan het auditconvenant. Het doel was een win-winsituatie na te streven voor bedrijven en overheid. Ondernemingen die tot het auditconvenant toetraden, lieten vrijwillig een audit uitvoeren om hun energiebesparingspotentieel in kaart te brengen. Bovendien engageerden zij zich om alle economisch rendabele energiebesparende maatregelen, zoals in de energiebeleidsovereenkomst opgenomen, effectief uit te voeren.

Resultaten van deze convenanten in de vorm van jaarverslagen zijn terug te vinden op de websites van de Commissie Benchmarking en de Auditcommissie: www.benchmarking.be (nieuw venster) en www.auditconvanent.be (nieuw venster). Het benchmarking- en auditconvenant liepen af einde 2014. De toenmalige Vlaamse Regering (2009-2014) heeft het engagement op zich genomen om de energieconvenanten te verlengen.

Energiebeleidsovereenkomst (EBO) 2015-2022

De industrie was (en is) in Vlaanderen goed voor ca. één derde van het totale energieverbruik. Met industriële activiteit zal altijd energieverbruik gepaard gaan. Zonder meer kan dus worden gesteld dat de manier waarop de industrie omspringt met energie zeer belangrijk is. Rationeel energiegebruik is en blijft hier een belangrijk aandachtspunt. De stijgende energieprijs is een zeer belangrijke drijfveer om efficiënt om te springen met energie, bovendien is er voor de VER-bedrijven nog een extra drijfveer door de Europese opgelegde besparing voor broeikasgassen. Daarnaast is er ook het ondersteuningsbeleid van de overheid.

De Vlaamse overheid ontwikkelde in het verleden reeds een aantal instrumenten ter verbetering van het rationeel energieverbruik binnen de Vlaamse industrie: de artikelen 6.5.1-6.5.8 van het Energiebesluit (vroeger: het besluit Energieplanning), de energieconsulenten voor bedrijven, het audit- en het benchmarkingconvenant, de ecologiepremie, groene waarborg, REG-premies, energiescan voor bedrijven, enz.

Binnen een veranderend Europees regelgevend klimaat was het voor een regio zoals Vlaanderen belangrijk te blijven inzetten op blijvende energie-efficiëntieverbeteringen in de industrie. Initiatieven tot wijziging van Europese richtlijnen betreffende energietaxatie en energie-efficiëntie gaven aan dat binnen de Europese Unie energie steeds kostbaarder zou worden en bijgevolg zo efficiënt mogelijk moest worden gebruikt.

De energiebeleidsovereenkomst met de niet VER-bedrijven moest de Vlaamse Regering helpen haar klimaatdoelstellingen te realiseren en gaf aldus uitvoering aan de beslissing van de Vlaamse Regering in verband met de verdere voorbereiding van het Vlaams Mitigatieplan 2013-2020 (VR 2012 2007 DOC.843/1). Het niet realiseren van bijkomende energiebesparingen in de niet ETS-industrie, zou de Vlaamse Regering ertoe dwingen extra maatregelen te nemen in andere niet ETS-sectoren of, in laatste instantie, tot het aankopen van verhandelbare emissierechten.

De energiebeleidsovereenkomsten liepen over de periode 1 januari 2015 t.e.m. 31 december 2020 en werden later verlengd tot 31 december 2022. Over de looptijd van de energiebeleidsovereenkomst 2015-2022 werden twee energieplannen opgesteld. Een jaarlijkse rapportering van resultaten, monitoring en controle was eveneens voorzien via de rapportageverplichtingen aan het Verificatiebureau. Jaarlijks werden geaggregeerde monitoringsrapporten voorgelegd aan de Vlaamse Regering. Op die manier werd een substantiële bijdrage van de industrie aan de realisatie van de Vlaamse doelstellingen op gebied van broeikasgasemissies (niet-VER) en op gebied van energie-efficiëntie (VER en niet-VER) geleverd.

Naast haalbaarheid was additionaliteit ten opzichte de lopende regelgeving (de artikelen 6.5.1-6.5.8 van het Energiebesluit, het vroegere besluit Energieplanning) een kritische succesfactor voor de realisatie van de EBO’s; dit uitte zich voornamelijk in strengere IRR-grenzen voor de rendabiliteit van de rendabele investeringen. Tenslotte waren er enkele verbredingsthema’s zoals een verplichte potentieelstudie voor warmtekrachtkoppeling (WKK) alsook de implementatie van energiebeheermaatregelen (door het behalen van het ISO50001 certificaat of equivalente maatregelen).

Modaliteiten van deze energiebeleidsovereenkomst 2023-2026 voor VER-bedrijven en niet VER-bedrijven

Uitbreiding van de doelgroep voor de Energiebeleidsovereenkomst 2023-2026

Gezien de relevante bijdrage van de EBO’s in de periode 2015-2022 aan de Vlaamse doelstellingen op gebied van energie-efficiëntie en broeikasgasemissies heeft de huidige Vlaamse Regering beslist om met een bijkomende cyclus van 4 jaar op hetzelfde elan verder te gaan met de energie-intensieve industrie. Aan de hand van een nieuwe energieaudit wordt een energieplan opgesteld voor de periode 2023-2026.

In deze energiebeleidsovereenkomst wordt de doelgroep uitgebreid met onder meer elektriciteitscentrales, afvalverbrandingsinstallaties, glastuinbouwbedrijven, haventerminals en ziekenhuizen waardoor alle energie-intensieve ondernemingen – dit zijn vestigingen met een finaal energiegebruik van minstens 0,1 PJ – kunnen toetreden tot de EBO 2023-2026.

Additionaliteit / haalbaarheid / verbredingsthema’s

Additionaliteit ten opzichte van de nieuwe regelgeving waarbij energie-intensieve bedrijven dienen te beschikken over een (om de vier jaar te actualiseren) conform verklaard energieplan (cfr. de artikelen 6.5.1-6.5.8 van het Energiebesluit, het vroegere besluit Energieplanning) blijft een belangrijk uitgangspunt en uit zich opnieuw in strengere IRR-grenzen voor rendabele en potentieel rendabele investeringen. In de nieuwe energiebeleidsovereenkomsten worden de grenzen voor een rendabele investeringen opnieuw lager gelegd dan in het Besluit Energieplanning. Voor de VER-bedrijven wordt een IRR-grens van 12% gehanteerd, voor niet VER-bedrijven bedraagt de IRR-grens 10,5%. De grens voor een potentieel rendabele investering wordt op een IRR van 10% (voor VER) en 9% (voor niet VER) gelegd.

Uit overleg met de sectoren van de energie-intensieve industrie is eens te meer gebleken dat deze grenzen als ambitieus maar haalbaar worden ingeschat. De haalbaarheid is namelijk een tweede belangrijke pijler van een vrijwillige energiebeleidsovereenkomst. Door de haalbaarheid van het engagement voor de potentiële toetreders van de energiebeleidsovereenkomsten kan verwacht worden dat de toetredingsgraad tot deze nieuwe energiebeleidsovereenkomsten hoog zal zijn. Op die manier zorgen deze vrijwillige overeenkomsten ervoor dat de energie-intensieve ondernemingen van Vlaanderen vooraanstaand zullen blijven op gebied van energie-efficiëntie en dat energie-efficiëntieverbeteringen in deze energie-intensieve vestigingen sneller en verregaander zullen gerealiseerd zullen worden dan via de huidige wetgeving.

Tenslotte zijn er ook in deze nieuwe energiebeleidsovereenkomsten enkele verplichte verbredingsthema’s toegevoegd. Vooreerst leveren alle toegetreden ondernemingen data aan over de warmtevraag en het restwarmtepotentieel van hun vestiging(en). Daarnaast stellen de VER-bedrijven een klimaatroadmap op met als horizon “een koolstofarm 2050: wat betekent dit voor uw onderneming?”. De niet VER-bedrijven voeren een verplichte klimaataudit uit waarin op zoek gegaan wordt naar haalbare en kostenefficiënte CO2-besparingen en maatregelen rond eigen lokale hernieuwbare energieproductie en elektrificatie.